Van passend onderwijs naar inclusie

jakinderen

De eerste maanden van de Wet op het Passend onderwijs zijn voorbij. De voorspelde chaos is achterwege gebleven. Heel gek is dat niet, want scholen en samenwerkingsverbanden wáren al jaren bezig met ‘Weer Samen Naar School’. Vrijwel overal is de nieuwe wet beleidsarm ingevoerd. En gelukkig waren de bezuinigingen van de baan. Dus men ging zoveel mogelijk door op de oude voet.

Wat veel verwarring bracht en energie nam, was de nadruk van de nieuwe wet op bovenschoolse structuren (de nieuwe samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs) en op het verleggen van geldstromen. Maar echt passend onderwijs is een kwestie van inhoud, organisatie en leerkrachtgedrag. Van een transformatie naar een kindgerichte cultuur, van ‘ja!’ zeggen tegen diversiteit. En daar was in alle drukte nou juist de afgelopen jaren geen tijd voor. Integendeel: de hoofdmoot van de inhoudelijke veranderingen voor scholen ging juist over opbrengstgericht werken, selectie en versmalling tot de kernvakken. Misschien dat daarom ook wel de chaos werd verwacht: omdat elke ouder op zijn klompen aanvoelt, dat wat ze op scholen zagen gebeuren, hard botst met de ambities van passend onderwijs. Dat is na 1 augustus helaas nog niet anders geworden. Er is dus ook niet opeens van alles in positieve zin veranderd.

Maar goed. Ondanks alle druk van buiten, ontwikkelen veel scholen zich, al is het soms tergend langzaam, tot kindgerichte plekken waar ieder zichzelf kan zijn, met een fijne pedagogische sfeer, een breed aanbod, een gerichtheid op talentontwikkeling en een goede samenwerking met ouders. Dát is het begin van passend onderwijs. En het is hoopgevend dat het overheidsbeleid opeens nieuwe nadruk gaat leggen op talentontwikkeling, onderzoekend leren,  21th century skills, muziekonderwijs etc. De pendel slaat dus terug van louter (smalle) kwalificatie naar ook sociale vorming, burgerschap en menswording.

Gebrek aan verbeeldingskracht en durf is geen excuus meer

Het effect van een andere financieringsstructuur is hopelijk wel, dat scholen die dat willen, meer ruimte hebben om maatwerk te leveren. (Al voorspelt de aanbodgerichte manier waarop de eerste ‘arrangementen’ geformuleerd zijn nog niet veel goeds). Daarnaast is nu de zorgplicht ingevoerd. De eerste uitspraken van de bezwarencommissie geven moed: die zorgplicht gaat echt iets veranderen. Scholen en hun besturen moeten veel preciezer kijken naar wat ze kinderen te bieden hebben en naar welke aanpassingen ze daarin kunnen doen (zie bijvoorbeeld: http://www.nrc.nl/nieuws/2014/09/25/opnieuw-school-op-vingers-getikt-na-weigering-zorgleerling/). Gebrek aan verbeeldingskracht en durf is niet langer een excuus. De combinatie van zorgplicht en andere financieringsstromen levert hopelijk goed nieuws op voor ouders die hun zinnen op een school in de buurt hebben gezet.

Maar komt er daarmee dan ook zicht op inclusief onderwijs? Of mag je als ouder met een bijzonder kind al blij zijn dat je kind mag ‘meedoen’ op de buurtschool? Scholen die het echt menen met inclusie van kinderen met speciale onderwijsbehoeften – of beter gezegd, met diverse scholen waar iedereen leert naar vermogen, blijven niet hangen in het huidige ‘passende onderwijs’. Een school die een smal programma centraal blijft stellen in prestatiegerichte leerjaarklassen, blijft zijn eigen uitval creeren en leidt niet op voor de toekomst. Onderwijsinnovatie en streven naar inclusie zijn tweelingzusjes van elkaar, en ambitieuze scholen snappen dat. Zij werken aan de volgende transformaties.

Transformaties op school

  • Van selectie, afstroom, zittenblijven, verwijzen en uitsluiting
    • Naar geen ontkoppelingen meer
  • Van school die bang is voor ouderbetrokkenheid
    • Naar school met ouderpartnerschap 3.0
  • Van zorg voor speciale kinderen
    • Naar ondersteuning gericht op alle kinderen
  • Van programmagericht onderwijs
    • Naar leerlinggericht onderwijs
  • Van gerichtheid op smalle opbrengsten (kwalificatie, basisvaardigheden)
    • Naar brede opbrengsten over to know, to do, to be, to live together
  • Van op cognitief presteren gerichte selectie
    • Naar gemeenschapsscholen die naar het hele kind kijken
  • Van de leerkracht staat er alleen voor
    • Naar je hebt meer personen nodig om kinderen te helpen ontplooien
  • Van school die mag zeggen ‘dit kunnen we niet’
    • naar school die zegt ‘dit gaan we leren’
  • Van ‘we durven pas als alle onzekerheden zijn weggenomen’
    • Naar ‘we doen het als 1 leraar ja ik wil zegt’
  • Van leerkracht die zendt
    • Naar leerkracht met dialoogvaardigheden

Transformaties bij hun bestuur, samenwerkingsverband en jeugdpartners:

  • Van regieverlegenheid op alle niveaus
    • Naar doorzettingsmacht bij mensen die direct werken met het kind
  • Van specialistische ondersteuning buiten reguliere leerplan
    • Naar toerusting en ondersteuning van leerkracht obv leerplan(ontwikkeling)
  • Van vakspecialisten rondom het kind en de beperking
    • Naar generalistische, oplossingsgerichte ondersteuning gericht op regie in zowel de klas als in het gezin en in de buurt.
  • Van kennisgerichte lerarenopleidingen waar je programma’s leert uitvoeren
    • Naar ontwikkelingsgerichte opleidingen waar je leert samenwerken, ontwerpen en reflecteren, ook met ouders en kinderen

Wat is het zo een waslijst he? Toch is het terug te voeren op één vastberaden hartsbeslissing:

Ja! zeggen tegen kinderen in al hun diversiteit.

 

ja graffiti

 

 

 

Actievoeren met onbeperkte statuten!

imageAfgelopen vrijdag hebben we de eerste stap gezet om het bewonersnetwerk U Onbeperkt zelfsturend en onafhankelijk te maken. We hebben de stichting opgericht, en ik ben als initiator nu de kersverse voorzitter. Onze twee medewerkers Sandra Kosterman en Marry Mos blijven formeel nog tot 2015 onder de vleugels van welzijnsorganisatie U Centraal.
Zelfs bij het oprichten van een stichting bleek het nog nodig om actie te voeren voor een onafhankelijk leven en volwaardige zeggenschap voor mensen met een beperking. Volgens de wet moet je namelijk lijfelijk aanwezig zijn om rechtsgeldige bestuursbeslissingen te nemen. Dus als je aan huis gebonden bent, kun je niet meebesturen… Daar nemen we als U onbeperkt in het tijdperk van videoconferencing, Facetime en skype natuurlijk geen genoegen meer mee. Toen de notaris ons op zijn opmerking ‘dan kunnen zieke of gehandicapte mensen maar niet in het bestuur’ zeer ongelovig zag lachen (dat meent ie toch niet echt?) gingen hij en de notarisassistente vlijtig aan de slag om een werkbare bepaling binnen de wet te maken. We hebben nu de meest inclusieve statuten van Nederland! 😉

Toegankelijk toetsen

Image

Ben aan het nadenken over toetsen. In Nederland hechten we zoveel waarde aan het ‘civiel effect’ van landelijk genormeerde, gelijke eindexamens, dat we niet bereid lijken om toetsen – of stage-eisen – aan te passen aan de mogelijkheden van mensen met een handicap. Dit werpt onacceptabele drempels op om een (beroeps)diploma te halen, terwijl mensen in de praktijk vaak het vak met wat aanpassingen uitstekend zouden kunnen uitoefenen. Welke (onderwijs)club zou zo iets nou op kunnen pakken?   

Tussen de regels

Afgelopen half jaar maakte ik deel uit van de Leerplaats Tussen de Regels rondom het gelijknamige boek van filosofe en organisatieadviseur Mieke Moor. Hoe houd je het uit in het spanningsvolle gebied waar regels eindigen maar de openheid je nog (net) niet de adem beneemt? Wat hebben de kunst van het scheppen en de kunst van het denken ons te bieden? Als afsluiting reflecteerden we door een kunstwerk te maken. De expositie daarvan loopt nu in bedrijfsverzamelgebouw Hooghiemstra. Mijn werk heet geweld 1 | geweld 2. Het is een installatie in dezelfde ruimte waar bijgaand werk is gemaakt.

De Kunst van mijn Werk

leerplaats bijeenkomst
leerplaats bijeenkomst

 Wat hebben kunst, filosofie en kunstbeschouwing te maken met mijn werk als adviseur en innovator? Heel erg veel! Dit ontdek ik gaandeweg de Leerplaats Organiseren 3.0 steeds meer. Ik ben de leerplaats ingestapt door Mieke Moor, een van de twee begeleiders van deze zeer interdisciplinaire leergroep van beslissers en organisatieadviseurs. Mieke onderzoekt in  haar proefschrift ‘Tussen de Regels’ de spanning tussen ons overgereguleerde organisatiebestaan en de doelen die ons mensen eigenlijk voor ogen staan. Met als hoogste doel: vrijheid voor onszelf en anderen… Mij trok ook de intrigerende ondertitel: een esthetische beschouwing over geweld van organisatie. Geweld van organisatie: ja, daar denk ik al lang over na.

Organisatiegeweld zie ik overal om mij heen in publieke organisaties. Ik wind me op over de negatieve gevolgen voor de leerlingen, ‘cliënten’ en bewoners die van deze publieke diensten afhankelijk zijn. Maar ook over de vervreemding, knechting en ontprofessionalisering van de beroepskrachten in deze sectoren. Alle toetsgekte, verantwoordingsdrift en protocollisering knijpt hen af en werkt averechts uit voor de kwaliteit van onderwijs, welzijn, zorg. Dus denk ik wel eens: Weg met alle regels! En veel van mijn organisatie-opdrachten gaan daar ook over. Over ont-regeling, over samen de weg terugvinden naar de kern van bezieling en maatschappelijk doel, en vandaaruit herontwerpen. 

Geweld 1 en geweld 2

Mieke Moor’s boek is geen gemakkelijke kost, maar ze scherpt wel mijn denken in en over mijn werk. Het geweld dat ik hierboven omschreef noemt zij geweld 1. En ze zet er geweld 2 tegenover: daar waar vrijheid en openheid ons de adem benemen en we het als chaos ervaren. Daarom hechten we ook aan regels en daarom is organisatie nodig om dingen gedaan te krijgen. Mieke Moor onderzoekt in dit boek of we het optimum kunnen vinden tussen regels en openheid. Daar, precies op het onzichtbare grensvlak tussen geweld 1 en geweld 2, daar ligt de optimale vrijheid, de ruimte om openstaand, creatief, in contact, vernieuwend te zijn in organisaties. En ze stelt de vraag: (hoe) durven we de spanning uit te houden die daar voelbaar is? Met deze fantastische vraag werken we ook in de Leerplaats.

 Kijken, kijken, kijken

Voor het verkennen van die vraag zet zij filosofen en kunstenaars in. Dat doet mijn hersens kraken. De plaatjes in haar boek zijn geen schematische vereenvoudigingen van ideeën zoals in de gebruikelijke hap-slik-weg managementliteratuur, maar werken van kunstenaars. En in haar tekst over die werken, nodigt ze me uit tot kijken, kijken en nog eens kijken. Daar opent zich de parallel met heel veel werk dat ik de afgelopen jaren heb gedaan. Mijn vooruitgang als adviseur – mijn ontwikkeling als mens eigenlijk – zat in het beter leren waar-nemen, ge-waar zijn, en aandacht aan het hier en nu kunnen geven. En in mijn vermogen dat ook bij de mensen en organisaties die ik begeleidde, op te wekken, omdat immers alle kennis, leren en ontwikkeling bij waar-nemen begint? Daarvoor moest ik ook veel leren loslaten. Veel van mijn werk is een voortdurende worsteling, zowel van mijn klant als van mij, met onze voortdurende neiging om in control te willen zijn. Toen we ons een jaar of vijf gelegen op het APS over Theory U bogen, bleek dat een inzichtverdiepende samenvatting van veel waar we al langere tijd mee bezig waren. (Zie ook dit meer recente artikel van Otto Scharmer: http://www.blog.ottoscharmer.com/?p=557).

 Zintuigelijk denken

Dan trekt ze ook nog een heel blik filosofen open (Ahrendt, Kant, Heidegger, Lyotard en Cooper) en laat me nadenken over kunst zelf. Dat had ik, veertiger inmiddels, nog nooit zo bewust gedaan. Gemakkelijk vind ik het niet. Ze voert me binnen in de discipline van de kunstfilosofie en het voelt als dansen op ijsschotsen. Ik lees en herlees en ik ervaar regelmatig: ja, nu voel ik dat mijn inzicht zich verdiept, maar hoe en waarover precies? Ik vat het (nog) niet… Dat is onrustbarend en lekker tegelijkertijd. Net zoals goede kunst zelf. Wat een spiegel!

 Haar boek is eigenlijk één groot pleidooi voor Denken in het Werk. En voor waarnemen op het scherpst van de snede: daar waar het ongemakkelijk wordt, dat wat je niet kan zien, dat wat je als subliem ervaart, als geweld-ig of overweldigend. Bij Moor is het denken over organisatie bovendien geen louter cerebrale actie, maar juist sterk geënt in zintuigelijke waarneming, in fenomenologie.

 Gemeenschappelijk (zelf)onderzoek

En daar komt ook de Leerplaats om de hoek. In deze groep onderzoeken we in alle openheid en kwetsbaarheid de organisatie- en vrijheidsvragen in ons eigen werk. Dat doen we door praten over het boek en dankzij Miekes beschouwingen, maar ook door dans, lichaamswerk, kunst(beschouwing), inbreng van eigen vaardigheden en ervaringen én door het maken van een eigen Werk. De Leerplaats heeft een sterk open space karakter en de organisatoren laten ons in zeer diverse, toepasselijke settings elkaar ont-moeten. De beroepsdilemma’s waar met name de bestuurders en leidinggevenden in de groep mee zitten, zijn niet mals. Meerdere malen confronteren we onszelf en elkaar met onze geinternaliseerde onvrijheid en geweld-dadigheid bij de beroepsbeoefening. De adviseurs onder ons hebben het vaak gemakkelijker, maar ook voor ons geldt: o wee, wat is het lastig om een vrije actor te blijven. Het mooie van Moor’s boek is dat zij zelf ook organisatie-adviseur is (bij Twijnstra Gudde), en haar eigen beroepsdilemma’s al verhalend en analyserend haarscherp inbrengt. Het mooie van de Leerplaats is dat de beide begeleiders zich even sterk laten raken en verrassen door mooie inzichten en lastige vragen als alle andere deelnemers. Het is een gemeenschappelijk (zelf)onderzoek.

Daarmee is zowel het boek als de leerplaats buitengewoon zinvolle en betekenisvolle kost voor bestuurders, leidinggevenden en (ervaren) organisatie-adviseurs. Voor wie plezier beleeft aan taaie maatschappelijke vraagstukken en wel weer eens stevig wil nadenken met heel haar of zijn lijf, is de Leerplaats 3.0 een onvervalste aanrader. Er begint in januari 2014 weer een groep.

Leerplaats 3.0 begeleid door Mieke Moor (adviseur bij Twijnstra Gudde en filosoof ) en Mieke Koldewee (adviseur, coach en danseres): http://www.twijnstragudde.nl/blog/leerplaats-voor-organiseren-30

Training Sociale Rolversterking

Training Sociale Rolversterking

Terugkijkend op afgelopen jaar heb ik veel inspiratie opgedaan door asset based community development (ABCD) en social role valorization (SRV). De foto is van de SRV-training. Die was taai en langdurig en heel Amerikaans. Gelukkig mag Perspectief het nu zelf geven van het SRV institute van Wolf Wolfensberger, dat maakt de toepasbaarheid en de didactische kwaliteit van de training flink hoger. Dat toont zich in de aanmeldingen voor dit najaar! (www.socialerolversterking.nl). Toch was het inspirerend. En de groep was leuk.
ABCD is eenvoudig gezegd: het opsporen en voor elkaar inzetten van de kracht van een gemeenschap. SRV is het doorbreken van uitsluiting en kwetsbaarheid door het versterken van maatschappelijk gewaardeerde rollen.
Beide zijn bij uitstek contextgerichte benaderingen, waarbij de verbintenissen tussen mensen centraal staan. In twee Utrechtse vrijwilligersprojecten waarvan ik initiatiefnemer ben, pas ik dit denken nu toe. Utrecht Onbeperkt is namelijk sinds 1 augustus van start. Ook heb ik me verbonden aan een initiatief om het Vorstelijk Complex in Zuilen in beheer van een bewonerscooperatie te brengen.

Een zetje van Tony Booth

imagesCAF5XI57 Booth Tony Booth komt naar Nederland en ik mag een van zijn gastvrouwen zijn. Hoe leuk kan het zijn? Booth is een zeer charismatische man en geweldig spreker over inclusief onderwijs. Hij is de grondlegger van de index voor inclusie en er de oorzaak van dat ik bij Stichting Perspectief kwam werken. Dat zit zo.

Op een zaterdagmiddag in februari 2012 kwam ik voor het eerst in een zaaltje bij Perspectief om naar hem te luisteren. Met twee effecten. Het eerste: aan het eind van die middag wilde ik de nieuwe Index voor Inclusie wel aan mijn hele netwerk slijten. Dus ik ging wat rondbellen en -mailen. Toen ik tegen Astrid Greven van Perspectief zei, dat we ergens mochten komen praten, zei zij: kom eerst maar eens bij ons praten, want we starten binnenkort een onderwijsproject… En dat markeerde mijn start bij Perspectief.

Het tweede effect kwam voort uit de manier waarop Tony Booth over zichzelf sprak. Niet als internationaal vermaard emeritus hoogleraar van de Universiteit van Canterbury, maar als ‘one person NGO’. Ik was in die dagen nog aan het dubben of ik als zelfstandig professional verder zou gaan. Ik ondernemen, een eigen zaak, was dat wel echt iets voor mij? Daarvoor moet je toch geldgedreven zijn, of tenminste jezelf willen verkopen? En ik houd niet van verkopen, ik houd van leren, co-creëren en echte verbindingen maken.
Maar op de fiets naar huis wist ik het opeens heel zeker: ik begin voor mijzelf. Als eenpersoons maatschappelijke onderneming. En de naam wist ik nog voor ik thuis was in Zuilen: Buro Verschillig. Op 1 juli 2012 startte ik met Perspectief en Buro Verschillig. Tony Booth weet het zelf (nog) niet, maar hij gaf me het zetje.

Kijk, en die man komt dus naar Nederland voor een aantal boeiende ontmoetingen. Hier kun je kijken of er wat voor je bij is en je aanmelden. Ik raad elke schoolleider, bestuurder, ab-er en ib-er alvast het kenniscafé ‘Werken aan een inclusieve schoolcultuur’ aan, dinsdag 11 juni van 17-20 uur op basisschool Kontiki in Amersfoort. Lekker voedsel voor de geest en voor het lichaam voor slechts 45 euro, met als gastheer schoolbestuur PCBO Amersfoort en als gastvrouw Stichting Perspectief. Ik hoop je daar te zien! Wie weet geeft hij jou ook wel een zetje?

Zorgstructuur of praatcultuur?

20130321apart of samen, minder of andersHoe kies je een goede school voor je kind? Waar moet je op letten? Het is een vraag waar veel ouders mee zitten. Ik stelde hem op de Ik Leer Ook-dag van stichting Perspectief op 2 februari aan acht ouders van kinderen met een beperking. Aan de dialoogtafel over onderwijs waren deze ouders het daar snel over eens: het allerbelangrijkste is een respectvolle, open communicatie. Willen de mensen op school echt weten wie je kind is? Nemen ze jouw ervaringskennis en opgebouwde deskundigheid over wat goed is voor je kind, serieus? En hoe gaat het in de klas? Spannen de leraren zich daar in om er een fijne groep van te maken, waarin de kinderen voor elkaar zorgen en elk kind ‘ anders’ mag zijn?

 Als onderwijsadviseur ken ik van leraren en schoolleiders heel andere antwoorden, zodra het gaat over kinderen met speciale onderwijsbehoeften. Zij benadrukken de noodzaak van speciale ondersteuning of apart aanbod. Zij geven hun grenzen aan: van die handicap weten we nog niet genoeg… Dat onderwijszorgarrangement hebben we niet in huis… Daarvoor is die-en-die therapie, ondersteuning en expertise nodig, en die hebben we (nog) niet. Zelf heb ik ook altijd de nadruk gelegd op het differentiatievermogen van een school als belangrijk thema. Je moet wel antwoord weten op de verschillen. Daarom vroeg ik het nog eens nadrukkelijk aan deze ouders, wiens bijzondere kind een ‘normale’ school bezoekt. Is een goed ondersteuningsaanbod, of – wat een woord – een goede zorgstructuur, niet net zo belangrijk? Nee, benadrukten de ouders. De kern is dat je kind gezien is en erbij hoort. En dat jouw kennis en ervaring als ouder serieus wordt meegenomen in de praktijk op school. Eigenlijk een heel gewone goede school met, in het jargon, een ‘ rijk pedagogisch klimaat’ en een ‘ educatief partnerschap met ouders’!

 Dat bracht ons op taal. Ja, taal doet er heel veel toe bij open dialoog. Je kind is geen zorgleerling of ‘Downer’ maar een kind met een naam. Maar de intentie onder de taal is belangrijker. Vertrekt de leerkracht vanuit de onderliggende aanname dat een kind met een beperking minder kan en baat heeft bij aparte hulp? Of vertrekt ze vanuit het standpunt dat iedereen anders is en je samen oplossingen moet zoeken, oplossingen waar zo mogelijk iedereen samen van profiteert? Een school die vanuit ‘anders’ en ‘samen’ vertrekt, weet altijd wel een mouw aan problemen te passen. Die ontwikkelt een ‘onderwijszorgarrangement’ zonder het zo te noemen.

Kortom, een school hoeft niet supervernieuwend of ‘speciaal’ te zijn om toch inclusief te kunnen werken! Essentieel is niet de zorgstructuur, maar de cultuur van interactie en dialoog. Daarin komen de oplossingen tot stand.

Cash management Gambian style

071120122359 Het is al vrij laat als we vanuit Farafenni in Barra aankomen. De kleine veerboot is net weg en de grote laat nog wel anderhalf uur op zich wachten. Het is nog maar de vraag of mijn chauffeur Bafoday, die ook naar de overkant moet, er met zijn auto op zal passen. We moeten dus afscheid nemen. Ik moet hem voor al die dagen vaardig chaufferen en prettig gidsgezelschap nog betalen. We hebben een goede prijs afgesproken, maar tot nu toe wilde hij slechts een keer wat benzinegeld. Hij wil het geld pas op het allerlaatste moment in handen krijgen en dan meteen in Barra op de bank zetten. Hij heeft me de slips van zijn twee rekeningen laten zien: een waarop hij de lening aan zijn oom uit de States afbetaalt. hiermee heeft hij zijn nering en grote trots gekocht: een degelijke derdehands Mercedes. De andere rekening is voor het onderhoud van zijn wagen. Dat is door de Gambiaanse wegen nogal een prijzig geintje op zich.

Hij wil zoveel mogelijk kunnen storten. Als hij geld op zak heeft, moet hij voortdurend leden van de extended family en vrienden iets toestoppen. Daarvan zijn we er inderdaad de afgelopen twee weken nogal veel tegengekomen. Als je geld hebt, geef je aan de ‘familymembers’ die geen geld hebben, en andersom. Zo leeft iedereen op de pof en heeft niemand geld om te investeren. En in het kleine Gambia lijkt iedereen wel familie van elkaar. Als iemand tegen je zegt, ‘This is my brother’, hoeft er niet per sé sprake te zijn van een directe familierelatie, maar is de band wel zo hecht dat hij zijn bezit met de brother deelt. Zojuist nog kennis gemaakt met zijn neef Solomon. De vierde zoon van zijn halfbroer, een kleinkind van zijn vader en diens tweede vrouw. Dat is nog zeer nabije familie en dus kreeg ik een kadootje van Solomon. De rest van de dag loop ik met het continent Afrika aan een kettinkje om mijn hals.

‘Then you do the cash management!‘, had ik gezegd. Nu moet ik van de 16.000 dalasi er nog 14.500 betalen. Mijn eigen cash management blijkt echter niet zo goed. Ik kom 2.500 te kort! Hij vertrouwt er blindelings op dat het wel goed komt. Ik geneer me, de rijke toubab die op de pof meerijdt met de ploeterende taxichauffeur. Al met al moeten we rennen, opdat ik nog aan boord kom voordat de vrachtwagens uit Senegal de boot op rijden. Even later sms’t Bafoday dat hij inderdaad moet wachten op de volgende ferry. Een van de leraren van Njaba Kunda neemt 2 dagen later het geld voor hem mee naar de North Bank. Via de sms lees ik dat alles op zijn pootjes is gekomen. Bafoday’s auto is weer een beetje meer van hem.